‘Ik heb wel echt geluk gehad’ zei de oudste zoon aan het ontbijt.
‘Nou inderdaad’ mompelde ik.
‘Stel dat ik vier weken eerder gevallen was!’
‘Ja, dat had ook gekund.’
‘Nu heb ik én geen voetbaltraining én geen school, dat maakt het een stuk makkelijker.’
‘Zeker,’ zeg ik.

Ik blijf mezelf manmoedig trainen om irreële gedachten niet toe te laten.

Ze roken niet, zijn niet aan de drugs en de drank… Mijn zonen van vijftien en zeventien sporten. De hele dag door. Normaal gesproken voetbalt de oudste op zondag bij Swift in de hoofdklasse in de promotiepool. Drie keer per week training en op zondag een wedstrijd. Zijn broer traint één keer per week minder maar doet er nog een geheime missie kickboksen bij. Elke dinsdag traint hij met sterke broeders zijn techniek en warempel is hij met zijn slanke postuur iemand geworden om bang voor te zijn.

De tijden zijn veranderd, de sportclubs gesloten en in parken staan grote borden met de tekst ‘Blijf thuis’. De zoons blijven sporten. Ik heb ze niet in de hand, het lukt me niet ze in huis op te sluiten. De jongste blijft voetballen, zoekt voetbalclubs waar je makkelijk over hekken kan klimmen of voetbalt op het plein voor ons huis, aan de overkant van het water of met een opgerolde paar sokken in de woonkamer. Voor het kickboksen lukt het niet om een maatje te vinden… Ik vermoed dat zijn vrienden een beetje bang voor hem zijn geworden. Maar zijn broer durft het wel aan.

De oudste traint het liefst nachts met gewichten of doet workouts. Hij zoekt zijn heil wat meer in het gamen.
‘Mijn vrienden zijn niet sportief’, verzucht hij. Gelukkig loopt hij hard en speelt hij een potje basketbal met zijn jeugdvriend. Het is behelpen voor mijn sportieve jonge mannen maar je hoort ze niet klagen. Mij ook niet.

Ik wandel. Zo’n zes tot acht kilometer per dag. Op drie hoog achter in Amsterdam-West met zijn vieren op een beperkt aantal vierkante meters moet ik er echt af en toe uit. Ons huisje aan zee is verboden toegang dus zoek ik mijn heil in wandelingen waarin ik minimaal een of twee parken integreer. De borden ‘Blijf thuis’ kijken mij dan intimiderend aan. In gedachten zeg ik: ‘Sorrie het lukt me niet, de hele dag binnen te blijven, niemand is toch geboren als binnenmens?’
Ik doe niemand kwaad en ben overtuigd – hoewel niet wetenschappelijk bewezen – immuniteit te hebben. Als ík niet immuun ben, dan weet ik het niet meer…een oeroude gezond-verstand-gedachte.

Uren worden dagen, dagen worden weken en weken worden al weer bijna maanden. De oudste heeft het ‘racefietsen’ ontdekt. Met zijn vader ging hij sporadisch al wel eens op pad, in de bergen want dan had je tenminste echte uitdaging. Afgelopen zomer fietste hij zijn vader er af. Maar dat scheen wel aan de betere fiets te liggen.

‘Ambulance?’ hoorde ik mijn geliefde tegen zijn broer zeggen.
Een scherpe pijl schoot door mijn moederhart.

De oudste maakte samen met zijn oom een tochtje naar Bloemendaal aan zee. Een roomijsje gegeten en hup over het ‘Brettenpad’ weer naar huis. In het nieuwe asfalt zat een hoge bult. Het was druk. Mensen voor en mensen achter. Hij had het niet gezien. De berm was zachter dan het asfalt. De sleutelbeen zei ‘krak’.

‘De breuk is te groot, we moeten helaas opereren’ zei de arts vanochtend aan de telefoon.
‘We gaan hem zo snel mogelijk inplannen maar hij zal eerst getest worden op ‘Corona’.

Mijn zoon heeft gelijk. Hij heeft ‘geluk’ gehad. Maar het voelt niet helemaal goed.
Het bord ‘Blijf binnen’ popt weer op in mijn gedachten. Een ongeluk zit in een klein verhoogd asfalt-hoekje. Hoe doen andere moeders dat toch met hun zonen?
Zijn er mensen geboren als binnenmens?

Pin It on Pinterest